Onze begeleidingsmethode

Hier vind je uitleg over onze methode voor de begeleiding van leerlingen. 

Motiverend en inspirerend begeleiden.jpg
Motiverend en Inspirerend Begeleiden

Voor de begeleiding van onze leerlingen maken wij gebruik van wat wij noemen 'Het Huiswerk Huis'. Het huiswerkhuis is het bouwwerk wat model staat voor onze methodiek Motiverend & Inspirerend Begeleiden. We leggen het model uit van onder naar boven, van de fundering naar het dak.

Fundering

De fundering van ons Huiswerk Huis is gebaseerd op een aantal wetenschappelijke theorieën.

De eerste laag van de fundering is gebaseerd op de agologie, de wetenschap van het opvoedend en vormend handelen. Bij de intake kijken we naar de kenmerken moeten, willen en kunnen.

Moeten gaat over de druk vanuit de omgeving van de leerling, in hoeverre ligt er druk van buitenaf op een leerling. Dit bijvoorbeeld druk vanuit ouders als het gaat om het halen van een diploma, maar ook bijvoorbeeld druk vanuit de vriendenkring, is het bijvoorbeeld in de vriendenkring 'not done' om huiswerk te maken. 

 

Willen gaat over de intrinsieke waarde van een leerling, de mate waarin de leerling zelf succesvol wil zijn als het gaat over het presteren op school. Niet zelden botst dit met de fase van ontwikkeling waarin de leerling zich op dat moment bevind, met als voorbeeld de pubberen leerling die zich afzet tegen de gevestigde orde en waarden. 

 

Kunnen gaat over het cogitieve vaardigheden of vermogen. Cognitieve vaardigheden of vermogens hebben te maken met de mate waarin je in staat bent om kennis en informatie op te nemen en te verwerken.   

De tweede laag van de fundering is gebaseerd op het wetenschappelijk inzicht in het motiveren van leerlingen. Er zijn verschillende theorieën over motivatie. De meest populaire theorie in het onderwijs is de zelfdeterminatie theorie van Deci & Ryan (1985; 2000). Deze theorie wordt in vele onderzoeken gehanteerd en getoetst aan de praktijk. Hierdoor kunnen de hoofdlijnen uit de theorie ook relatief gemakkelijk worden vertaald naar een aantal handvatten voor in de praktijk.

De zelfdeterminatie theorie maakt allereerst onderscheid tussen intrinsieke (vanuit autonomie)  en extrinsieke (vanuit de relatie) motivatie. Intrinsieke motivatie is motivatie die van binnenuit komt, de leerling is vanuit zichzelf gemotiveerd om iets te leren waarin hij of zij zelf geïnteresseerd is. Bij extrinsieke motivatie zorgen externe prikkels dat de leerling gemotiveerd is, zoals een beloning in de vorm van een hoog cijfer. Intrinsieke motivatie zorgt vaak voor betere leerresultaten.

Volgens Deci & Ryan (1985; 2000) kunnen docenten de intrinsieke motivatie verhogen als ze weten in te spelen op drie psychologische basisbehoeften:


Autonomie. De leerling heeft de vrijheid om een activiteit naar eigen inzicht te kunnen uitvoeren en heeft invloed op wat hij of zij doet.

Gevoel van competentie. Het vertrouwen dat de leerling moet hebben in eigen kunnen.

Relatie, sociale verbondenheid. De verbondenheid met de omgeving, ofwel vertrouwen hebben in anderen. En een positief klimaat in de leerlomgeving; leerlingen moeten zich vrij voelen om vragen te stellen en niet bang zijn om fouten te maken.

Bronnen

  • Deci, E.L., & Ryan, R.M. (1985) Intrinsic motivation and self-determination in human behavior. New York: Plenum.

  • Ryan, R.M., & Deci, E.L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55, 68-78